home     Voorwoord bij De Goden van Mars



In de pocket- en paperbackuitgaven van (De) Goden van Mars (series 20 - Westfriesland, 21 - omnibus en 29 - Classics) is helaas het voorwoord van de oorspronkelijke uitgave niet meegenomen in de vertaling.
Nu de in 2012 uitgebrachte film "John Carter" voor een deel gaat over de relatie tussen Edgar Rice Burroughs en John Carter, is dat voorwoord van belang geworden.

Hieronder het voorwoord, zoals opgenomen in de (matige) vertaling van dit verhaal in de pulpuitgave van de Internationale Bioscoop-Roman Maatschappij (zie pulps).

DE GODEN VAN MARS

VOORWOORD.*)

    Twaalf jaar geleden heb ik mijn oom, kapitein John Carter van Virginia, de laatste eer bewezen.
Na dien tijd heb ik dikwijls nagedacht over de vreemde instructies, die hij voor mij achtergelaten had met betrekking tot het bouwen van zijn grootsche graftombe.
    Er waren nu twaalf jaren voorbijgegaan, sinds ik het eigenaardige manuscript van dezen merkwaardigen man gelezen had; van dien man die geen jeugd had gekend en die geen flauw begrip van had, hoe oud hij eigenlijk wel was. Die man had tien jaren op Mars doorgebracht en zoo wel met als tegen de groene Barsoomianen gevochten, hij had de zeer schoone Dejah Thoris, Princes van Helium tot vrouw en was al tien jaar prins van het huis van Tardos Mors, Jeddah van Helium.
    Het was nu twaalf jaar geleden, sinds zijn lichaam op den steilen oeverrand gevonden was bij zijn woning, die uitzag op den Hudson. En dikwijls had ik mij gedurende deze lange jaren afgevraagd of John Carter werkelijk dood was.
    Eens, toen ik daarover peinsde, kwam op een warmen avond in Augustus de knecht me een telegram brengen. Ik las:

"Tref me morgen in 't hôtel Raleigh Richmond.
    John Carter".

De volgende morgen nam ik den eersten den besten trein naar Richmond. Ik vond mijn oom nu juist zoo terug als ik hem 't laatst gezien had; op zijn gelaat was een uitdrukking van ijzeren wilskracht te lezen. Toen ik aan zijn kamer aanklopte, stond hij langzaam op en verwelkomde mij met zijn mij welbekenden glimlach. Ik zag bij den eersten oogopslag, dat hij totaal niet verouderd was.
    Terwijl hij mij zijn hand toestak zeide hij: "Neef, het moet je wel toeschijnen alsof ik een geest ben of dat de kweldranken van oom Ben een te grooten invloed op je hebben, niet?"
    Ik antwoordde hem dan ook, dat ik niet wist, wat ik zag.
    Hij vertelde mij dat hij op Mars in Barsoom geweest was, maar dat hij nu niet veel tijd had daar hij terug moest. Hij had het in zijn macht, vertelde hij, de verschillende planeeten te bezoeken en er weer vandoor te gaan, wanneer hij dat verkoos.
    Maar zijn hart was toch in Barsoom en dat wel omdat zijn zoo zeer geliefde prinses daar was.
    Hij vertelde verder, dat hij nu nog eens naar de aarde was gekomen, omdat hij zijn neef nog eens wilde zien.
    "Maar", zeide hij "veel heb ik je eigenlijk niet te vertellen, want alles kun je vinden in de aanteekeningen, die ik gemaakt heb gedurende de laatste drie maanden, waarin ik op aarde terug ben".
    En hij overhandigde mij een portefeuille.
    "Ik weet", zeide hij, "dat ge er belang in stelt en de wereld eveneens, niettegenstaande het nog verscheiden jaren zal duren, voordat ze het gelooven zullen. De aardsche menschen zijn nu nog niet zoo ver, dat ze de dingen, die ik te vertellen heb, zullen begrijpen. Trek het je dus niet aan, als ze er om lachen".
    Dien avond werd hij door zijn neef tot aan de deur van zijn grafkelder gebracht. "Waarschijnlijk", zeide hij, "zal ik je nooit meer een bezoek brengen. Het is zoo moeilijk voor me om mijn vrouw en zoontje alleen te laten".
    Werkelijk heeft de neef zijn oudoom nooit meer terug gezien. Maar hij heeft het verhaal van John Carter's terugkeer op Mars aan de wereld medegedeeld in de bladzijden, welke nu zullen volgen. Het bevat Carter's tweeden tocht om Dejah Thoris, princes van Helium te wreken.

*)inclusief alle oorspronkelijke druk-, taal- en vertaal zoals "Jeddah" en "princes".


De inhoud op deze pagina staat onder:
copyright 2000/2016 by Marten Jonker.